Op 28 februari 1876 vindt er een bijzondere overlijdensaangifte plaats in de gemeente Grootegast. De analfabete dagloner Hesder de Vries komt dan in het gemeentehuis om te verklaren dat er vijf dagen eerder, in de middag van 23 februari, in het Kolonelsdiep tussen Grootegast en Lutjegast…

“door hem is gevonden een levenloos, pasgeboren kind van het mannelijk geslacht, waarvan de ouderdom en herkomst niet kan worden opgegeven, gewikkeld in een wit en in een blauw katoenen zakje, omwonden met een touw, en waarin zich mede bevonden drie stukjes steen.”

Dat de herkomst van het dode kind niet kon worden opgegeven, getuigt van overdreven voorzichtigheid, want intussen was er al een vrouw aangehouden wegens “kindermoord” of “het verdrinken van een pasgeboren, levensvatbaar kind”.

Deze Antje Nosbomer (41), sinds 1866 de weduwe van de horlogemaker Jan Penninga (haar tweede man), was geboren in Doezum, maar woonde met drie kinderen in Grootegast. Begin januari bleek zij van het jongetje te zijn bevallen. Op 25 februari werd ze voorlopig aangehouden en op 27 februari overgebracht naar het Huis van Bewaring.

Medio juni kwam haar zaak voor het Gerechtshof in Leeuwarden. “Zij had het kind”, aldus de krantenverslagen,

“…in een paar slopen gedaan, een paar stenen erbij gevoegd en toen in een sloot nabij hare woning geworpen. Circa vier weken later daar weer uitgehaald, heeft zij het in de vaart geworpen, waarna het gevonden werd.”

Ze beweerde dat het jongetje al dood was toen ze het in het water deponeerde, maar volgens deskundigen leefde het toen nog. En daarbij sloot de advocaat-generaal zich aan in zijn eis: acht jaar tuchthuis. Haar advocaat echter, bestreed het rapport van de deskundigen, volgens hem was er geen bewijs dat het kind nog leefde toen het in het water kwam en hij

“zag dan ook met gerustheid eene vrijspraak tegemoet”.

En dat bleek allesbehalve grootspraak. Want in zijn uitspraak gaf het hof vrouw Penninga het voordeel van de twijfel. Het was onbekend wat er met het kind gebeurde tussen begin januari, toen zij ervan beviel, en eind februari, toen het kind gevonden werd:

“Zoo heeft het hof daaromtrent geen volkomen zekerheid en kan het zich niet vereenigen met het oordeel der deskundigen dat dit kind, hoewel geleefd hebbende na de geboorte, nog leefde toen het in het water werd geworpen, zoodat het feit, aan beklaagde ten laste gelegd, niet wettig en overtuigend is bewezen en zij behoort te worden vrijgesproken…”

De weduwe Penninga zou gewoon terugkeren naar Grootegast. Opmerkelijk is, dat zij al eerder, in 1868 en 1871, onechte kinderen kreeg. Ze stond toen te boek als dagloonster en leek dus in sociaal opzicht enigszins afgezakt na de dood van haar horlogemaker. Als zij het jongetje dat begin 1876 werd geboren inderdaad niet ombracht, zal ze diens stoffelijke overschot in het water hebben gegooid om zich de zoveelste schande, en misschien de begrafeniskosten, te besparen. In 1883 zou ze nog voor een derde keer trouwen, met een dagloner. Ook bij dat huwelijk stond ze te boek als dagloonster. In 1889 overleed ze in Grootegast, toen ze 55 jaar oud was.

                                                                                                 Harry Perton

Met dank aan Jakob Franken.

Bronnen, behalve de gelinkte: Groninger Archieven, archief Officier van Justitie bij de Arrondissementsrechtbank Groningen (toegang 897) inv. nr. 49, zaak 1546; archief Arrondissementsrechtbank Groningen (toegang 883), inv. nr. 594 besluiten van de Raadkamer d.d. 2 maart en 6 april 1876. Op zich zeggen deze stukken inhoudelijk weinig over de zaak, maar ze helpen wel op weg qua procedure. Niet geraadpleegd is het procesdossier in het Tresoar te Leeuwarden. Waarschijnlijk bevat dit nog ettelijke bijzonderheden.

About these ads