“Börgemester”, zo begint een verhaal uit 1925 van de Westerwoldse auteur J.H. Neuteboom,

“zat op ’t gameintehoes, dat dou destieds bie vrau Boomekamp was.”

Het is voor de hedendaagse lezer in eerste instantie een wat verwarrend zinnetje. Niet zozeer doordat de burgemeester op het gemeentehuis zat, waar Neuteboom in het gemeentehuis bedoelt. Nee, door de lokalisering van dat gemeentehuis bij mevrouw Boomekamp. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Was haar pand bekender dan het gemeentehuis, zodat er bij de lokalisering van het laatste verwezen moest worden naar het eerste? Of zat de burgemeester misschien in de kost bij deze mevrouw?

Nee, zoals uit het vervolg bij Neuteboom blijkt, was er iets heel anders aan de hand. Veldwachter Boulm maakt zijn opwachting bij de burgemeester, die nog wat aan het schrijven is. Neuteboom geeft dan een nieuwe aanwijzing over de lokatie en de hoofdfunctie van het pand, waarin de burgemeester zetelt:

“Achter ’t beschot in de jachtweide zat vrau Boomekamp te prooten mit Harm Eilerts van de Wieke, dij ’n kind angeven kwamp.”

Oftewel: de burgemeester – die in zijn eentje nog vrijwel het gehele ambtelijke apparaat vormde – had in een herberg of café een werkruimte, die slechts door een schotje afgezonderd was van de gelagkamer. En deze jachtweide diende weer als wachtruimte voor mensen die bijvoorbeeld een geboorte, huwelijk of sterfgeval kwamen aangeven.

Een dergelijke toestand, dat het gemeentehuis gevestigd was in een horeca-gelegenheid, bestond in heel veel gemeenten nog ver in de hele negentiende eeuw, of zelfs tot in de twintigste. Veel herbergen die gemeenten onderdak boden heetten toen ook Het Gemeentehuis, ten teken dat de plaatselijke overheid zoveel vertrouwen in de uitbaters had, dat ze er ruimte van huurde. Hier en daar, zoals in Eenrum, is die naam overgeleverd tot op de dag van vandaag.

Dat er een einde aan dergelijke toestanden gemaakt werd kwam niet alleen door drankbestrijders, die zich wild ergerden aan de consumptieplicht voor burgers welke gewoon aan hun wettelijke plichten kwamen voldoen. Vaak hing de komst van een nieuw, maar dan echt gemeentehuis samen met het feit, dat het ambtelijke apparaat eenvoudigweg uit het horeca-jasje groeide.

                                                                                     Harry Perton

 

Bron:
J.H. Neuteboom, ‘Boulm en de börgemester’, in: Goud Volk, deel VI (ed. Siemon Reker) (Assen 2010)

Advertenties