De instelling van de Burgerlijke Stand betekende ook de instelling van het burgerlijke huwelijk. Waar voor 1811 alle huwelijken nog kerkelijk werden ingezegend (en geregistreerd), gebeurde dat na 1811 steeds minder. En kerkelijken maakten zich daar zorgen over.

Als oorzaken van “de veel te geringe belangstelling in de kerkelijke inzegening van het huwelijk” noemt de kerkeraad van Beerta in september 1849:

 “…de onverschilligheid in het godsdienstige, voorts het vooral in den beginne plaats gehad hebbende verzuim van behoorlijke inlichting nopens het belangrijke der huwelijksinzegening, daarna de geringe medewerking van de zijde van het burgerlijk bestuur en eindelijk het wanbegrip, als of de kerkelijke inzegening van het huwelijk in het kerkgebouw behoort plaats te hebben.”

Uit de Beerster kerkeraadsnotitie blijkt, dat na de instelling van de burgerlijke stand (1811)  behoorlijk de klad kwam in de kerkelijke huwelijksinzegening. Althans te Beerta. Hoe het er elders mee gesteld was, laat zich ook nagaan omdat de Beerster kerkeraad een en ander boekstaafde naar aanleiding van een rondvraag door de nationale synode, die via provinciale kerkbesturen, classes en ringen topdown doorgeleid werd naar alle gemeenten, waarna de antwoorden weer dezelfde route volgden, maar dan vice versa.

Niet overal bestond het probleem toen reeds in die mate als in Beerta, blijkt bij een snelle zoektocht in kerkelijke archieven. Zo meldde de classis Groningen aan het Provinciaal Kerkbestuur, dat haar leden helemaal niets gebleken was van belemmeringen voor de kerkelijke huwelijksinzegening. Ook in de ring Uskwerd bestonden, “voor zover ons bekend” geen problemen.

Zelfs binnen een en dezelfde ring konden er grote verschillen bestaan. Zo werden in de ring Bellingwolde, die het oude Westerwolde met bijkomende rechtsgebieden omvatte, te Blijham en Vriescheloo nog bijna alle huwelijken kerkelijk ingezegend, terwijl er in Bellingwolde, Oudeschans, Bourtange, Wedde, Vlagtwedde, Onstwedde, Sellingen en Ter Apel toestanden bestonden als in Beerta.

In het algemeen worden de oorzaken die in Beerta golden, ook elders genoemd. Zo reppen de ringen Winsum en Leens van een bijna algemene godsdienstige “lauwheid”. Sinds de instelling van het burgerlijke huwelijk vonden vele huwelijksparen op het platteland de kerkelijke inzegening “overbodig”, aldus de ringen Bellingwolde en Middelstum. De ring Midwolda, waartoe Beerta en de meeste andere Oldambster gemeenten behoorden, voegde hieraan toe dat de animo voor de kerkelijke huwelijksinzegening er vooral van afhing, of “er meerder of minder kerkelijke zin en leven [in een gemeente] worden aangetroffen”. Toch constateerde deze ring ook een sociaal verschil:

“Bijna algemeen wordt van de inzegening gebruik gemaakt door de aanzienlijkste leden der gemeente.”

Maar dat sociale verschil gold ook wel voor plaatsen waar de godsdienstige belangstelling in het algemeen minder was. In die gemeenten was de kerkelijke huwelijksinzegening voor de meer aanzienlijken vooral een kwestie van “decorum”, het kerkelijke huwelijk maakte er integraal deel uit van hun trouwfeest.

Veel “zeldzamer”, aldus de ring Midwolda, was de kerkelijke inzegening bij “den geringen burgerstand en de arbeidersklasse”. En dat sluit aan bij wat de ring Bellingwolde vond:

“Voornamelijk bij dienstbaren [is er] eene beklagenswaardige onverschilligheid in het godsdienstige, zoodat de inzegening niet nodig geacht wordt.”

Enigszins haaks hierop staat dan weer de constatering dat bij “noodhuwelijken” (zeg maar: moetjes) de inzegening nagelaten werd uit schaamte. De ring Midwolda schreef:

“…gevoelens van schuld en schaamte verwekken vrees voor harde straffing, verbonden met het onchristelijk denkbeeld, dat men na gezondigd te hebben de zegen van God geheel verbeurd heeft, of dat de inzegening te heilig is, om op zulke voorwerpen te kunnen worden toegepast.”

Wat betreft de slechte voorlichting en het daarmee samenhangende onbegrip, wees de ring Winsum op de “hardnekkige dwaling” dat de kerkelijke inzegening gelijk zou staan aan twee maal trouwen, terwijl de ring Midwolda in dit opzicht een materieel aspect noemde. Hier was het idee algemeen verspreid, dat je een predikant en kerkeraadsleden niet fatsoenlijk bij je thuis kon vragen voor een huwelijksinzegening, zonder hen ook verder mee te laten doen aan het feest van de familie en de buren. Vooral mensen in “bekrompen omstandigheden” zagen mede om die reden van de kerkelijke inzegening af.

De kosten kwamen eveneens ter sprake, waar het ging om de geringe medewerking van het burgerlijke bestuur. Zowel de ring Bellingwolde als die van Leens memoreerde, dat een kerkelijke huwelijksinzegening alleen mocht plaatsvinden als het burgerlijke huwelijk al voltrokken was. Als bewijs daarvoor moest de burgerlijke trouwambtenaar een certificaat afgeven en wettelijk mocht dat alleen op gezegeld papier. Dat nam dus extra kosten met zich mee, “’t geen voor de mingegoeden en vooral behoeftigen veelal een voorwendsel en bezwaar is”. Bovendien, aldus weer Leens, heerste er bij de plaatselijke overheden een “ongezindheid” om huwelijken op zondag te laten plaatsvinden, zodat de kerkelijke inzegening er meteen op kon volgen. Hoe dan ook was er “meer tegen- dan medewerking” van de burgerlijke autoriteirten.

Met de probleem-analyse gingen meestal ook oplossingen gepaard. Zo opperden de kerkelijken dat het burgerlijke en het  kerkelijke huwelijk meer met elkaar in verband gebracht moesten worden, dat de burgerlijke standsambtenaren de kerkelijke huwelijksinzegening moesten stimuleren, dat burgerlijke autoriteiten de namen van aanstaande bruidsparen moesten doorgeven, zodat predikanten deze konden benaderen, dat de burgerlijke huwelijken op zondagochtend na kerktijd moesten plaatsvinden, zodat de kerkelijke inzegening ’s middags kon geschieden, en dat er voor de min gegoeden aparte kerkelijke trouwruimtes moesten komen.

Al deze vrome wensen waren echter boter aan de galg. Op 16 augustus 1849, toen veel Groninger gemeenten hun bevindingen nog op papier moesten zetten, behandelde de nationale synode de reeds binnengekomen berichten. Omdat daar volgens de synode geen nieuwe inzichten bijzaten, gebeurde er niets. Men dronk dus een glas, deed een plas, en liet alles bij wat het was. En zodoende werd de kerkelijke huwelijksinzegening echt een zeldzaamheid.

                                                                                        Harry Perton

Advertenties