Naast de formele Burgerlijke Stand bestond er vroeger in dorpen en stadswijken ook een informele. De sociale controle was groot, mensen hielden elkaar – naar onze maatstaven – nogal in de gaten en belangrijke levensgebeurtenissen waren dan ook vaak al wijd en zijd bekend voordat ze in het burgerlijke standsrubriekje van de lokale en regionale kranten verschenen.

Naar het schijnt was de informele burgerlijke stand vooral een vrouwenzaak. Toch waren er ook mannen die zich ermee bezighielden, op het gevaar af voor een “old wief” uitgemaakt te worden.

Zo’n man was, volgens een Groningstalig verhaal van Wim Faber, de "postloper" Friet van der Laan in Ulrum. Friet overleed daar vlak na de oorlog zonder beroep. Hij zal er dus voor de oorlog als postbode actief geweest zijn.

Friet dan, was niet zo’n dienstklopper die een brief naar de afzender retourneerde omdat er een halve cent te weinig aan frankering op de enveloppe zat. Hij bleef ook graag een kop koffie drinken bij een adressant. Aan zijn dienstverlenende instelling mankeerde dus niets. Daar stond tegenover dat een briefkaartje met “haile fiene letterkes” wel eens een dag later ter bestemde plaatse arriveerde, “omreden hai dij soavends thoes eerst eefkes onder vergrootglaas hemmen mos".

Friet was ook om andere reden heel goed op de hoogte van wat er zoal in het dorp gebeurde, "benoam as het om vrijerij tuzzen jongs en wichter ging”. Op zaterdagavonden, als de jongens de meisjes naar huis gebracht hadden en ze in het dorp terugkwamen, stonden ze bij Friet op de hoek altijd tegen elkaar op te scheppen wat ze zoal “bie de maaid versierd haren”. En Friet stond ze dan op zijn balkon af te luisteren.

Tot de jongens daar achterkwamen. Om het hem af te leren bonden ze op een avond een bok met een eind touw aan zijn deurbel vast. De hele avond en nacht ging de bel bij Friet, en als Friet het touw van de bel probeerde los te maken, stoof de bok met de hoorns vooruit op hem af. Vanaf die nacht had het “graauw goud van Ollerom” geen last meer “van proatjederij van postloper". Zodoende waren de grenzen aan de informele burgerlijke stand weer even vastgesteld.

Met dank aan Reind van der Laan, een nazaat van Friet die ons wees op Wim Fabers verhaal ‘Postloper’ in: Berend Boksemrek. Oet 't leven grepen en optaikend (Groningen 1989) 54 – 55.

Advertenties