Dat het gemeentehuis in de 19e eeuw vaak in een herberg gevestigd was, kwam al ter sprake in onze uitzending over voorlijk Veendam, en in een stukje op dit weblog, waar een citaat van de Westerwoldse streektaal-auteur Neuteboom werd besproken. Voor veel gemeenten is ook vrij eenvoudig na te gaan, in welke herbergen vanaf 1811 het gemeentehuis zetelde en waar dus de aangiften voor de burgerlijke stand plaatsvonden.

Neem Uithuizermeeden. Vanaf 1811 resideerde de gemeente hier in “de van ouds bekende herberg (…) alwaar de Roos op het uithangbord” stond, vlakbij de kerk. In 1871, toen herberg De Roos gesloopt werd, ging het bescheiden gemeentelijke apparaat er naar een andere horeca-gelegenheid, te weten De Witte Kidde in de Molenhorn (dat is de buurt waar tegenwoordig het spoor de hoofdweg kruist). Pas in 1907 voldeed dit logement niet langer aan de eisen:

“De brandveiligheid van de secretarie was onder de maat en het feit dat de veldwachter burgers bij de burgemeester moest aandienen in de gelagkamer werd als niet passend beschouwd. Ook vond men het ongewenst dat iemand die aangifte van geboorte of overlijden kwam doen verplicht was in de herberg een consumptie te gebruiken.”

Vervolgens kwam er een echt gemeentehuis tot stand, een gebouw dat er nu nog steeds staat, al is het de functie sinds de gemeentelijke fusie van 1979 kwijt. Vanaf 2008 fungeert dit pand – verrassing! – als horeca-gelegenheid.

Uit het geval Uithuizermeeden blijt dat er eertijds tussen de horeca- en de overheidsfunctie ook wel eens een persoonlijke verbinding bestond. Meindert Jacobs Sterenberg (1799 – 1871), de erfgenaam, eigenaar en uitbater van De Roos bleef namelijk herbergier van beroep, terwijl hij tevens ambtelijke en politieke functies ging vervullen in zijn eigen onderkomen. Vanaf 1822 was hij schrijver bij de gemeente en naderhand schatter van de personele belasting. Nog weer later werd hij gemeenteraadslid , wethouder en loco-burgemeester, om ons te beperken tot de gemeentelijke functies. Kennelijk bestond er tegen de vereniging van al zulke functies in één persoon geen overwegend bezwaar.

In 1867, toen hij politiek al uitgerangeerd was, kwam er aan de ambtelijke functies van Sterenberg een eind, omdat de toen vrij nieuwe  burgemeester “het kantoor gewend” was en – na een aanloopperiode – zelf het schrijfwerk ter hand wilde nemen. Daardoor liepen de reguliere jaarinkomsten van Sterenberg terug van 600 naar 400 gulden, terwijl tegelijkertijd zijn oude herberg “uit de mode” raakte.

Sterenberg was een zelfbewust man, getuige de autobiografie die hij op het eind van zijn leven schreef. Teun Juk maakte er uitgebreid gebruik van voor het hoofdstuk dat hij aan Sterenberg wijdde in het boek Meij 650 (Bedum 2004, pag. 417 – 433) en uit dat hoofdstuk putten wij weer voor het bovenstaande.

Met dank aan Arent Sterenberg, die ons op zijn voorvader attendeerde.

Advertenties