Isaac Krips was net 21 jaar oud, toen hij op 15 februari 1814 overleed in het Militair Hospitaal te Groningen. Isaac was de zoon van een Leeuwarder barbier en maakte deel uit van de derde kompagnie der Friese Nationale Garde. Vanwege het beleg van Delfzijl, dat nog steeds door Franse troepen bezet was, lag zijn eenheid in Appingedam.

Isaacs overlijden werd bij de Burgerlijke Stand aangegeven door twee 'zieken majoors' van het Militair Hospitaal. Desondanks – en dat is eigenlijk best wel navrant – komt zijn naam voor op een lijst van deserteurs uit de Friese Nationale Garde, die de commandant daarvan anderhalve maand later opstelde en naar  Leeuwarden opstuurde. Op die lijst staan in totaal 96 manschappen en de commandant verzocht zijn superieuren om die voor de krijgsraad te dagen. Volgens de lijst was Isaac op 14 februari gedeserteerd. Waarschijnlijk lag hij toen al in het hospitaal. Kennelijk wisten zijn meerderen niet van zijn opname en bleven ze ook onkundig van zijn dood, zodat ze zijn naam een hele tijd later nog als deserteur opgaven.

Waaraan Isaac stierf is onbekend. In de ochtend van 12 februari, terwijl het zwaar mistte, ondernamen de Fransen ’s morgens nog met 300 man een uitval uit Delfzijl, waarbij ze in de omgeving van Geefsweer en Tuikwerd in een “scherp gevecht” raakten met 200 man van de Nationale Garde. Daarbij vielen aan de kant van de gardisten drie doden en twaalf gewonden, waarvan er vier zeer slecht aan toe waren. Wellicht liep Isaac bij deze schermutseling verwondingen op, en raakten zijn superieuren door de mist het zicht op hem kwijt.

Maar het is ook mogelijk dat hij ‘gewoon’ ziek was geworden. Het was een barre winter, er heerste strenge vorst, en de belegeraars hadden een groot gebrek aan goede winterkleding. Dat bevorderde hun gezondheid niet bepaald en vormde, naast het achterwege blijven van soldij, ook een voorname reden voor desertie. De 96 Friezen op de lijst van eind maart waren bij lange na niet de enigen die men daarvan verdacht.

Maar wat het geval van Isaac Krips ons vooral leert, is hoe instanties langs elkaar heen kunnen werken. Dat is iets waar je terdege rekening mee moet houden. Ga je als nazaat alleen maar af op zo’n lijst van deserteurs, dan komt je voorouder er heel slecht vanaf. Terwijl door de overlijdensakte een heel ander beeld ontstaat. Een en ander betekent dat je als onderzoeker liefst meerdere bronnen moet raadplegen, voordat je iets met zekerheid kunt vaststellen. Waar je slechts een enkele bron hebt, kan je slechts voorlopige conclusies trekken.

Literatuur over het beleg van Delfzijl:

  • M. Busch, ‘Dagverhaal van de blokkade van Delfzijl in 1813 en 1814’, in: Bijdragen tot de geschiedenis en oudheidkunde inzonderheid van de provincie Groningen, deel I (1864), 324 – 363.
  • Jaap Bottema, Delfzijl, schetsen uit de Franse tijd (Bedum 2004) 106 – 120.

Met dank aan Maarten Krips

Advertenties