Als de schipper Pieter Fransen eind 1837 trouwen wil, levert hij ook een verklaring in, dat hij aan de verplichtingen voor de Nationale Militie heeft voldaan. In deze verklaring (zie linksonder op het bovenstaande plaatje) staat ook zijn signalement. Pieter is 1 el, 7 palm, 4 duim en 0 streep groot, hij heeft een ovaal gezicht, een plat voorhoofd, blauwe ogen, een lange neus, een “ordinaire” mond, een ronde kin, en bruine haren en wenkbrauwen. Verder is er niets opmerkelijks waaraan men hem zou kunnen herkennen.

Wellicht zijn er twee dingen in Pieter zijn signalement die een hedendaagse lezer vreemd voor zullen komen. Ten eerste wordt de lengte vermeld in ellen, palmen en duimen. In de 19e eeuw is dit echter gewoon ons metrieke stelsel. Een el is dan een meter, een palm een decimeter, een duim een centimeter en een streep een millimeter. Pieter Fransen was dus 1 meter en 74 centimeter groot.

Ten tweede zal iemand van nu wellicht wat vreemd aankijken tegen die “ordinaire” mond van Pieter Fransen. Tegenwoordig heeft het woord ordinair echter een wat andere betekenis dan vroeger, toen het nog “gewoon” betekende. Dat Pieter een “ordinaire” mond had, wil dus niet zeggen dat hij een scheve bek met een slecht gebit had, maar dat er eigenlijk helemaal niets bijzonders aan viel te zien..

Dergelijke verklaringen van de Nationale Militie zijn net als doop of geboortebewijzen van bruid en bruidegom, eventuele acten van bekendheid, en begraaf – en overlijdensakten van ouders of grootouders, gewoonlijk aan te treffen als bijlagen bij de huwelijksakten. Deze huwelijksbijlagen, zoals we ze kortweg noemen, zijn in Groningen niet gescand, en staan dus ook niet op internet. Men kan ze hier bij de (studiezaalbalie van) RHC de Groninger Archieven aanvragen, als men het jaar en het nummer, of tenminste de datum van de huwelijksakte weet.

Het speciale en interessante van de militieverklaring is natuurlijk dat signalement van de bruidegom. Daardoor kan je je een beeld vormen van het uiterlijk van je voorvader. Pas na 1850 komt de fotografie op, maar dan duurt het bij verreweg de meeste families vaak nog decennia voordat de eerste foto’s van familieleden worden gemaakt. Voor de vroegere periode is zo’n signalement dan een aardige vervanging.

Zoals aan de militieverklaring van Pieter Fransen te zien is, werden dergelijke verklaringen afgegeven door de gouverneur oftewel de commissaris van de koningin in een provincie. Met de verklaring viel na te gaan of de bruidegom wel aan zijn verplichtingen had voldaan. Hij moest aan de loting hebben meegedaan en dan zijn uitgeloot, of zijn dienstplicht hebben vervuld, als hij tenminste niet afgekeurd was. Een Nederlandse man die zich aan loting, keuring en/of daadwerkelijke vervulling van de dienstplicht onttrok, kon dus ook niet trouwen. (Wel ongehuwd samenwonen, uiteraard.)

Zoals uit de militieverklaring van Pieter Fransen op te maken valt, behoorde hij tot de lichting 1823, waarbij hij in zijn lotingsdistrict het nummer 356 trok. Dat nummer was dermate hoog, dat hij niet in dienst hoefde. Van elke lichting had de staat indertijd maar een beperkt contingent nodig als landsverdedigers. Mannen als Pieter konden echter nog wel in dienst gaan als remplacant of plaatsvervanger voor iemand anders. Daarbij kregen ze dan een mooie som geld van degene die ze vervingen. Als ze helemaal geen kazerne van binnen zagen, moesten ze, als ze gezond van lijf en leden waren, toch vaak nog lid worden van de schutterij.

Met dank aan Tobias Wagenaar.

Advertenties