In 1878 werd Adriana Korhorn ingeschreven in het geboorteregister van Ulrum. Een nauwelijks opmerkelijke routine-handeling, ware het niet dat Adriana al vijftien jaar oud was. De gemeente Ulrum schreef dus een puber in als nieuw geborene.

Dat deed de gemeente, zo blijkt uit de akte, op gerechtelijk bevel. Adriana's moeder Janna, zonder beroep en wonende te Den Hoorn, had een verzoekschrift daartoe ingediend bij de Arrondissementsrechtbank Groningen, die dat rekest inwilligde.

Daarmee werd een verzuim in 1863 rechtgezet. Janna was toen in de ochtend van zaterdag de 23ste mei van haar dochter Adriana bevallen aan boord van een potschip - dat was een schuit met aardewerk als koopwaar, die van het ene dorp naar het andere voer. Janna, toen 33, woonde daarop als dienstmeid van de oorspronkelijk uit Vledder afkomstige potschipper Gerardus Hulst, die net als haar oudere zuster Knelske bij de bevalling aanwezig was geweest. Deze Hulst was het, die verzuimd had om aangifte te doen.

Burgemeester Wolthers van Ulrum had van dit verzuim, een "wanbedrijf", ook proces verbaal opgemaakt, waardoor Hulst indertijd moest voorkomen voor de Arrondissementsrechtbank te Appingedam. Janna wees op die procedure, ten bewijze dat haar dochter inderdaad in Ulrum geboren was.

Uit de stukken bij de Arrondissementsrechtbank blijkt mogelijk een staaltje klassejustitie. Volgens Janna, die indertijd als getuige werd gehoord, had de ene gemeente (Ulrum) naar de andere (Leens?) verwezen, waar het ging om het doen van aangifte van de geboorte. terwijl haar beklaagde baas, potschipper Hulst, verklaarde dat de aangifte niet was geschied…

"…doordien de Burgemeester (van Ulrum) die aangifte niet had willen aannemen…"

Het wordt er niet bij verteld, maar waarschijnlijk was burgemeester Wolthers bang dat de nieuwe boreling ten laste van de Ulrumer armenkas zou komen.

Hoewel de burgemeester van Ulrum dus (mede-)verantwoordelijk voor de verzuimde aangifte kon worden gehouden, kreeg alleen Hulst (toen 49) dit feit op zijn brood gesmeerd.  De Damster rechtbank veroordeelde hem tot drie dagen cel en een boete van 8 gulden, met de kosten van het rechtsgeding die werden afgemaakt op ƒ 11,35. In hoger beroep voor het Gerechtshof in Groningen bleef daar nog 3 gulden boete met de rechtskosten van over.

Hoewel er dus een strafproces gevoerd was over de verzuimde aangifte, maakte niemand zich na dat proces meer druk over dat verzuim. Vandaar dat de omissie vijftien jaar later nog eens moest worden goedgemaakt.

Bronnen, afgezien van de geboorte-akte: RHC Groninger Archieven, archief Arrondissementsrechtbank Groningen (toegang 883) inv. nr.1354, het verzoekschrift nr. 207; archief Arrondissementsrechtbank Appingedam (toegang 882), inv. nr. 61, het vonnis nr. 2722 de dato 28 augustus 1863; archief Provinciaal Gerechtshof Groningen (toegang 148) inv. nr. 33 register veroordeelden, 2 november 1863 Gerardus Hulst.

 

Advertenties